Naar de inhoud
KlokkenbeursNaslag over klokken
Menu

1800 tot 1850

Empire en biedermeier

Twee tegenpolen: de pendule als pronkstuk, de regulateur als instrument

  • Weense regulateurvanaf circa 1790
  • Laterndluhrcirca 1800 tot 1848
  • Comtoise in bloeivanaf 1820
  • KenmerkMarmer, verguld brons, mahoniefineer

De pendule als middelpunt

In Frankrijk werd de klok in deze periode meubelstuk. De pendule stond op de schoorsteenmantel, vaak als garnituur met twee bijpassende kandelaars of vazen. Empire koos voor strenge lijnen, verguld brons en mythologische figuren; later kwamen zwart marmer met ingelegde lijnen en een rond messing uurwerk in de mode.

Het uurwerk erachter is compact en rond, met een korte slinger en een looptijd van acht dagen. Bij veel Franse werken zit de gangregeling boven de twaalf, zodat de slingerlengte met een sleutel kan worden bijgesteld zonder de kast te openen.

De regulateur als tegenpool

In Wenen ging het precies de andere kant op. De regulateur kreeg een smalle kast, een lange slinger en zo min mogelijk versiering. De Laterndluhr uit de eerste decennia is nog driedelig en aan drie zijden beglaasd; de Dachluhr vanaf ongeveer 1830 is soberder, in mahonie-, noten- of kersenfineer.

Het verschil tussen beide tradities is niet alleen smaak. Een pendule staat op een schouw en heeft slagwerk; een regulateur hangt trillingvrij aan de muur en heeft dat juist niet.

Wat er in Nederland gebeurde

De Friese staartklok kreeg vanaf ongeveer 1825 de ankergang in plaats van de spillegang, waardoor de slinger langer werd en de gang rustiger. De comtoise uit de Jura kwam in dezelfde jaren in zijn bloeitijd terecht, met de grote geperste messing slingers die het type nu kenmerken.

Garnituren raken uit elkaar

Pendules werden verkocht met twee bijbehorende stukken. Bij verkoop en vererving raakten die vaak gescheiden, waardoor complete garnituren tegenwoordig minder vaak voorkomen dan losse klokken.

Elders op klokkenbeurs.nl