Hoe fabriekswerk het Friese ambacht opruimde
Rond 1857 werden in Joure naar schatting vierduizend klokken per jaar gemaakt. Zeventig jaar later sloot de laatste Friese klokkenmakerij. Daartussen zit geen ramp, maar een prijsverschil.
Twee manieren van maken
Een Friese staartklok werd per stuk gebouwd. Het uurwerk werd afgestemd op de kast, het loodwerk werd gegoten en bijgewerkt, de wijzerplaat werd beschilderd. Elk exemplaar vroeg uren handwerk van mensen die dat vak hadden geleerd.
In Connecticut werd in dezelfde eeuw een andere weg ingeslagen. Onderdelen werden in series gemaakt, eerst in hout en later in gestanst messing, en waren onderling uitwisselbaar. Een klok werd samengesteld in plaats van gebouwd. Duitse fabrikanten namen die werkwijze over.
Wat dat betekende voor de koper
| Streekambacht | Fabriekswerk | |
|---|---|---|
| Productie | Per stuk, in een werkplaats | In series, met uitwisselbare delen |
| Onderdelen | Op maat gemaakt | Voorradig en vervangbaar |
| Uiterlijk | Streekgebonden | Overal hetzelfde |
| Bereik | Regionaal | Uitgevoerd naar meerdere landen |
Voor een huishouden dat een klok wilde, was de keuze daarmee snel gemaakt. Wat verdween was niet de vraag naar klokken, maar de vraag naar klokken die per stuk werden gebouwd.
Wat er overbleef
Het streekwerk verdween uit de productie en kwam terug in de verzamelmarkt. Friese stoelklokken, staartklokken en schippertjes worden nu verhandeld op grond van precies datgene wat ze uit de handel duwde: het feit dat ze met de hand zijn gemaakt en dat geen twee exemplaren gelijk zijn.
Dezelfde beweging is elders zichtbaar. De comtoiseproductie in de Jura zakte na 1890 in en hield in het begin van de twintigste eeuw op. In het Zwarte Woud bleef de koekoeksklok wel overeind, doordat het snijwerk zelf het product was.
Redactie Klokkenbeurs